Lees je de getuigenissen van jagers, zoals vanochtend in de Volkskrant, dan valt je op dat allerlei betekenissen eraan worden gehecht die ook de tegenstanders van de jacht voorstaan. Jagen gaat gepaard met liefde voor de natuur en voor de prooi, met stilte en een soort zen, met ontstressen. Dit verklaart wellicht mede waarom de confrontaties plaatsmaken voor interesse. Mag ik een keer mee?
Kunnen we met liefde kijken naar de jagers, zoals ze daar staan met hun geweer over de arm, kijkend in de camera?
Ja, met liefde kan er veel, heel veel. Maar ik zou graag deze lijn doortrekken. Als we met liefde kunnen kijken naar deze jagers, die evenzeer prooi zijn van het gejaagde leven, dan kijk ik ook met liefde naar de camera die hen vangt en naar mezelf die de camera vangt. Ik raak in een regressie, zowat ad infinitum, waarin ik steeds benieuwd ben naar de volgende stap. Want vanuit welke liefdevolle blik wordt dat 'mezelf' gezien, wie staat me daar te doden om me beter te kunnen zien en met smaak te kunnen opeten? Waar sluit zich de cyclus?
Deze blog moeten we zelf opvatten als jacht. Bij mijn Tour de France-serie was ik op zoek naar de essentie van dat evenement. Nu ga ik weer verder over dat spoor, en ik ruik de prooi. Het heeft vast iets te maken met die regressieve beweging in de voorwaartse beweging. Een terugdeinzen, of een reculer pour mieux sauter, of nog iets anders. Te vroeg nog om het vizier op scherp te stellen.
woensdag 1 juni 2016
Hantologie
Er zijn grofweg zo'n drie soorten relaties denkbaar tussen jager en prooi. De eerste is dat de jager zijn prooi achternazit en vervolgens te grazen neemt. De tweede is dat de jager zoveel plezier heeft in de jacht dat hij zijn prooi net niet te grazen neemt. Denk ook aan de kat die speelt met de muis en diens leven verlengt door het spel.
De derde is de relatie waarin de jager zich ineens geconfronteerd ziet met zijn veronderstelde prooi en erachter komt dat hij zelf de prooi is. De jager blijkt zelf de prooi.
Deze laatste relatie gebruikt bijvoorbeeld Derrida in zijn project (Spectres de Marx) waarin hij de zijnsleer wil omvormen tot een jaagleer, de ontologie tot hantologie. We verhelderen de zin van ons bestaan niet door te begrijpen hoe we in het licht van het zijn staan. Het zijn is nauwelijks te pakken en het pakt eerder ons, maar ook dat niet. Maar ook weer niet helemaal niet. Het zijn wordt zelf belicht vanuit het andere, het anders dan zijn. Daarin volgt Derrida Plato en Levinas. Maar niet helemaal, want volgen is ook weer zo'n term uit de jagerswereld, evenals het spoor. Als je iemand volgt merk je ineens dat je gevolgd wordt, maar je weet het niet zeker, en zelfs de paranoia gebruik je als schijnzekerheid om je tegen die ervaring te beschermen.
Samengevat: de hantologie is geen ontologie, maar ook weer niet helemaal niet. Er is geen hoorbaar verschil, geen hoorbaar verschil tussen ontologie en hantologie. Het is nog steeds mogelijk te denken dat de dingen zijn zoals ze zijn, als zodanig.
De derde is de relatie waarin de jager zich ineens geconfronteerd ziet met zijn veronderstelde prooi en erachter komt dat hij zelf de prooi is. De jager blijkt zelf de prooi.
Deze laatste relatie gebruikt bijvoorbeeld Derrida in zijn project (Spectres de Marx) waarin hij de zijnsleer wil omvormen tot een jaagleer, de ontologie tot hantologie. We verhelderen de zin van ons bestaan niet door te begrijpen hoe we in het licht van het zijn staan. Het zijn is nauwelijks te pakken en het pakt eerder ons, maar ook dat niet. Maar ook weer niet helemaal niet. Het zijn wordt zelf belicht vanuit het andere, het anders dan zijn. Daarin volgt Derrida Plato en Levinas. Maar niet helemaal, want volgen is ook weer zo'n term uit de jagerswereld, evenals het spoor. Als je iemand volgt merk je ineens dat je gevolgd wordt, maar je weet het niet zeker, en zelfs de paranoia gebruik je als schijnzekerheid om je tegen die ervaring te beschermen.
Samengevat: de hantologie is geen ontologie, maar ook weer niet helemaal niet. Er is geen hoorbaar verschil, geen hoorbaar verschil tussen ontologie en hantologie. Het is nog steeds mogelijk te denken dat de dingen zijn zoals ze zijn, als zodanig.
maandag 30 mei 2016
Het jagen
De jacht is geopend. Het sein werd geblazen door Beethoven, voortijdig zelfs, in de reprise van zijn Derde Symfonie. Zo graag willen we de jacht openen. Het behoort tot de essentie van Beethovens muziek dat een melodie wordt versplinterd, zich verspreidt her en der, en dan weer achternagezeten wordt, totdat hij feestelijk wordt achterhaald. Beethoven wint en laat dat uitvoerig weten met zijn extended coda. En uiteraard met zijn grandioze fuga's en fugato's, waarmee hij Bach achterhaalt.
Maar heus wel meer zijn we overal op jacht. Zygmunt Bauman verkondigde al dat we de jacht zozeer willen dat we de prooi als het erop aankomt laten lopen, we hebben liever de jacht dan de prooi. Het is een symptoom van de onoplosbaarheid der wereldproblemen, we jagen koopjes na, ervaringen en genot. Substituut kun je zeggen, maar is the real thing intussen niet het echte substituut? De echte problemen gebruiken we om eraan te ontvluchten en zelf jager te worden.
En dan is er nog het ritueel van de vogelvrije op wie we ongestoord en ongestraft mogen jagen, in alle vrijheid. De homo sacer van Agamben. We maken er een ludiek festijn van in de Tour de France. Er ontsnapt iets en vlak voor de meet halen we het in, dat is de afspraak, elke dag opnieuw. We moeten dat doen, en het waarom is zelf een prooi waarop we filosoferend jacht kunnen maken.
Ten slotte denk ik nog aan het Oerboek van de mens, de Bijbel, die de herinnering aan ons jagersverleden vasthoudt in landbouwverhalen. Onze God is de God die land schept, maar niet dan nadat Hij ons in vrijheid verscheen, als hert bijvoorbeeld, Heilig Hert of The Holy Rabbit. We willen schieten maar ineens hapert de trekker. De hapering wordt zelf het moment, ons momentum, de sleutel tot wie we zijn en wat we verdichten. Wat we bedenken. We bedenken ons.

Maar heus wel meer zijn we overal op jacht. Zygmunt Bauman verkondigde al dat we de jacht zozeer willen dat we de prooi als het erop aankomt laten lopen, we hebben liever de jacht dan de prooi. Het is een symptoom van de onoplosbaarheid der wereldproblemen, we jagen koopjes na, ervaringen en genot. Substituut kun je zeggen, maar is the real thing intussen niet het echte substituut? De echte problemen gebruiken we om eraan te ontvluchten en zelf jager te worden.
En dan is er nog het ritueel van de vogelvrije op wie we ongestoord en ongestraft mogen jagen, in alle vrijheid. De homo sacer van Agamben. We maken er een ludiek festijn van in de Tour de France. Er ontsnapt iets en vlak voor de meet halen we het in, dat is de afspraak, elke dag opnieuw. We moeten dat doen, en het waarom is zelf een prooi waarop we filosoferend jacht kunnen maken.
Ten slotte denk ik nog aan het Oerboek van de mens, de Bijbel, die de herinnering aan ons jagersverleden vasthoudt in landbouwverhalen. Onze God is de God die land schept, maar niet dan nadat Hij ons in vrijheid verscheen, als hert bijvoorbeeld, Heilig Hert of The Holy Rabbit. We willen schieten maar ineens hapert de trekker. De hapering wordt zelf het moment, ons momentum, de sleutel tot wie we zijn en wat we verdichten. Wat we bedenken. We bedenken ons.
Abonneren op:
Posts (Atom)