vrijdag 16 december 2016

De dienst die Jean-Pierre Geelen mij bewijst

Het viel me al meteen op toen ik aan deze serie begon, en ik heb het ook vermeld: Jean-Pierre Geelen van de Volkskrant schrijft graag over de jacht en met jachtmetaforen. In het jaloerse mij heft zich het lied aan van Schubert:
Was sucht denn der Jäger am Mühlbach hier?
Bleib, trotziger Jäger, in deinem Revier!
Hier gibt es kein Wild zu jagen für dich,
Hier wohnt nur ein Rehlein, ein zahmes, für mich.
De jager moet dus met zijn fikken van de mooie molenaarsdochter afblijven. Aan het eind van het korte lied krijgt hij toch nog een taak toegewezen. Hij moet de evers maar afknallen die de Kohlgarten van de schone aanbedene komen plat trappen.

Het lijkt erop dat mijn jager Jean-Pierre Geelen zoiets inderdaad doet. Hij pakt voor mij de evers aan die het gebied van mijn prooi verstoren. Hij pakt vandaag De Telegraaf aan, die de hoorn blaast omdat de Belgen de krant overnemen, hij pakt eigenlijk voortdurend mensen en misstanden aan en veegt daarmee mijn tuintje schoon.

Mijn tuintje, dat is toch wel de filosofie. Het is de molen waar de door mij aanbeden filosofen alles vermalen zodat ik er weer brood van kan bakken en ervan kan smullen. Ook nu weer sta ik op het punt over te schakelen naar de prachtige beschouwing van Agamben over het 'trefo' (voeden) van Aristoteles dat ik dan weer kan gebruiken voor een verrassende beschouwing over opvoeding en onderwijs.

Maar helaas en vooral ook gelukkig. De lezer ziet ongetwijfeld liever dat de zanger zich verdrinkt in de beek omdat uiteindelijk de mooie molenaarsdochter toch door de jager wordt weggekaapt. De lezer luistert graag naar het kabbelen van de beek dat troost biedt voor de hartverscheurende afgang van de zanger, de lezer weet dat het altijd al de beek was die zong door het zingen van de zanger.
Gute Nacht, gute Nacht!
Bis alles wacht,
Schlaf aus deine Freude, schlaf aus dein Leid!
 Der Vollmond steigt,
Der Nebel weicht,
Und der Himmel da oben, wie ist er so weit!
Mocht het dus nog van z'n beschouwing over voeding komen, dan weet u alvast dat Jean-Pierre Geelen mij voor was. Niet omdat de filosofie hem interesseert: die blijft vooralsnog mijn vluchtgebied. Maar wel omdat hij de nieuwsfeiten voor me behandelt, hij maakt ons duidelijk hoe we ons voeden met roddels die weer nieuwsfeiten opleveren, en daarmee de wereld tevoorschijn toveren die we om ons heen zien, zodat er in dat bos voor mij als kritisch denker geen prooi meer overblijft. Soms treft Geelen zelfs twee prooien met een schot, waaronder een evert:
Twee jaar geleden was De Telegraaf ook op oorlogspad. Het bedrijf wilde de NRC kopen. Was dat gelukt, dan zou columnist Youp van 't Hek collega zijn van 'de gluiperige roddelkont Evert Santegoeds & consorten' - een brug te ver: hij zou vluchten. Benieuwd met welk wapen Youp zich morgen gaat redden.

 Afbeeldingsresultaat voor evert santegoeds

zondag 25 september 2016

De verdediging van de dode

Voor Milan Kundera had ik niet veel bewondering. Ik vond zijn filosofische intermezzo's in zijn romans irritant. Maar van een vriend kreeg ik zijn essayboek Verraden testamenten, en ik moet bekennen dat ik door Kundera aan het denken word gezet over zaken die ertoe doen

Een van de vele lichten die Kundera laat schijnen over de kwestie Max Brod, want die staat centraal in zijn boek, is de idee dat de literaire schrijver het morele recht heeft te beschikken over zijn werk. Kafka gaf Brod herhaaldelijk de opdracht zijn werk na zijn dood te vernietigen. Maar zoals bekend heeft Brod zich aan die opdracht niet gehouden.

Nu luidt de verrassende ontknoping dat Kundera de wil van de schrijver weliswaar als een wet beschouwt, maar de mogelijkheid openlaat dat we de wet overtreden. Je moet er dus eerlijk over zijn. Wat ik doe mag niet, maar als ik dat toegeef is het minder erg.

Op dit punt wordt Kundera weer irritant voor mij. Brod noemt hij een mysterie omdat hij geen respect heeft voor het eigendomsrecht van zijn beste vriend, maar zelf is hij evenmin bereid dat recht te respecteren. Het is namelijk onmogelijk de drie grote romans van Kafka te verbranden als je eenmaal tot je laat doordringen welke wijsheden ze ons te bieden hebben.

De actualiteit van deze problematiek geldt onverkort in onze dagen. De dode moet zijn organen doneren, al behouden hijzelf en zijn nabestaanden het recht om dit te blokkeren.

De problematiek is verder van alle kanten belicht door denkers die ik met fascinatie lees: Levinas over de schaamte, Derrida over het testament en Agamben over de wet die geldt en niet moet worden verward met de schuld van de aangeklaagde.

Hoe irritant ook, of misschien wel evenzeer daarom, via Kundera leer ik iets over een soort jacht die uit is op de vernietiging van de prooi. Eerder hebben we gezien dat de jager er juist belang bij kan hebben zijn prooi in leven te houden. Dat speelt ook hier. Om het oordeel over Kafka te onderstrepen moeten we hem de hemel in prijzen, zijn werk volledig laten drukken. We moeten de 'verraden testamenten' bekritiseren om onze claim op de erfenis kracht bij te zetten.

En toch zien we als we Kundera lezen dat de kracht van de vernietiging lijkt te domineren. In de totalitaire samenlevingen waren aanklachten niet gericht op correctie maar op vernietiging van de burger. Het proces van Kafka past daarin omdat Joseph K zich steeds meer identificeert met zijn aanklagers, daarin schuilt de hele zin van de Bildung die hij ondergaat. In de westerse samenlevingen ziet Kundera evenzeer processen die uit zijn op de vernietiging van het individu, met name in de rockmuziek en in de media die de grens tussen privé en openbaar opheffen. En passant lijkt het of hiermee ook de schaamte is opgeheven, de schaamte die bij Joseph K nog lijkt te overleven.

Uiteindelijk is het niet de schaamte maar de liefdevolle herinnering die rest. Kundera schuift het beeld naar voren uit zijn eigen roman, Het boek van de lach en de vergetelheid, van het personage Tamina die haar echtgenoot verloren heeft maar niet in staat is hem als dood te beschouwen. Zo regisseert Kundera misschien zijn eigen nagedachtenis, denk ik dan, omdat het voor hem onmogelijk is dat niet te doen.

Precies zo onmogelijk is het mij deze notitie ongepubliceerd te laten. Ik temper het vernietigende geweld van mijn blogs door ze prijs te geven aan een vluchtig medium. De grens tussen privé en openbaar wordt erin gereconstrueerd als een dun gordijn, een mist zou je kunnen zeggen. Niet de mist die Kundera waarneemt rond Majakovski en waaraan we recht moeten doen in ons oordeel. Eerder een geconstrueerde mist, een mist die wel moet leiden tot mistkenning.

Afbeeldingsresultaat voor boekverbranding


zondag 28 augustus 2016

In de film komt de vos

Zojuist keken we bij Zomergasten naar de klassieke scène. De ganzen betreden de oever, ergens in de Oostvaardersplassen. Gevaar dreigt! En ja, daar daagt de vos op. Hij jaagt een tijdje op de ganzenkuikens en weet er uiteindelijk een te vangen.

De muziek en de montage maken ons duidelijk dat zich een heus drama afspeelt. Alle oneindig geduld van Ruben Smit is ergens goed voor geweest. We zien nu dat de natuur niet saai is! En zo worden we opgevoed, zeg maar gebildet.

Zomergast Andrea Maier glundert, lacht en zuigt haar lach weer gretig binnen. Het is allemaal spectaculair en provocerend. Haar onderwerp: ouderen die gezond honderddertig worden!

Waartoe worden we geëduceerd? Moeten we wetenschap interessant vinden? Moeten we via de wetenschap de natuur interessant vinden? Moeten we via de genii de wetenschap en de natuur interessant vinden?

Of moeten we helemaal niets, juist omdat we honderddertig kunnen worden? Juist dan kunnen we denken: kan altijd nog, die natuur, die wetenschap. Eerst maar eens doen wat we nu interessant vinden, namelijk kijken hoe Thomas Erdbrink zo ontzettend zijn best zit te doen. En hoe het maar niet wil.

Afbeeldingsresultaat voor vos ganzen

woensdag 24 augustus 2016

Niet te onderscheiden

Zojuist las ik het bericht dat in de bossen tussen Servië en Bulgarije een vluchteling is neergeschoten. Het betreft een jonge Afghaanse man. Toevallig werd er in het gebied gepatrouilleerd en gejaagd op wild. Nu ja, toevallig,,, Premier Vucic van Servië laat de patrouilles uitvoeren omdat er steeds maar migranten en vluchtelingen Servië binnenkomen.

Even analyseren. Er zijn enkele zaken in het bericht onhelder. Het gaat om een grensgebied tussen twee staten, het gaat om twee verschillende groepen die met wapens rondlopen. Het is nog onduidelijk of er met opzet is geschoten en door wie. Bij het slachtoffer stonden vier jagers, en een van hen is aangehouden. Meer weten we vooralsnog niet. Kortom, gaat het wel om een jacht?

Wij stellen ons de jager voor als een heer die trots het beheer voert over zijn gebied. Maar soms schaamt de jager zich, en soms vertrouwt hij de communis opinio niet. Allebei redenen om zich gedeisd te houden. Het bos wordt zijn revier, de neutrale beheerderstaal wordt zijn verstek.

Is het zo dat we de jager bij dit incident verdenken? Nee, ik ben meer geïnteresseerd in de mogelijkheid dat er in deze jacht, in elke jacht wellicht, iets ononderscheidbaars zit. Het is onmogelijk om te weten of het bij de jacht inderdaad om de jacht gaat. Er lopen andere mensen in de buurt, en die anderen zijn geen indringers, niet zonder meer. Het kan de jager goed uitkomen dat er patrouillerende agenten en vluchtelingen door zijn gebied lopen. De jager kan zijn schot tot een incident maken, hij verschaft de agenten het alibi van het schietincident. En al evenzeer verschaft hij de politici de wereldvisie van het gebied. De staat wordt dankzij de jacht gezien als een gebied waarin vluchtelingen gezien worden als indringers, illegalen of vogelvrijen.

Goed, de jager is gearresteerd. Het lijkt nu of hij zelf de verbannene is. De media roepen de hoon over hem af.

Alleen al door deze overwegingen, niet noodzakelijk mijn overwegingen, maar overwegingen die ronddansen rond het incident, ontstaat een woud van aspecten en vertakkingen. Kronkels, sommige evident onterecht, andere geven een vaag gevoel van bevreemding en ongemak.

Het resultaat is dat we het niet precies weten, omtrent de jager. We vinden de kogel in de borst van de vluchteling, maar is die kogel niet ook een beetje van iedereen?

Afbeeldingsresultaat voor grens bulgarije servie

donderdag 18 augustus 2016

Ik wil het niet zien

Ook weer zo'n rare discussie dezer dagen in de Volkskrant. Het lijkt er sterk op dat tandartsen en atleten het wild opzoeken om het op een spectaculaire manier te doden. Er verschijnen foto's, en het verbaast mij niets dat het veel ophef veroorzaakt.

Kortom, er ligt tegenwoordig een link tussen de jacht en het spektakel.

De argumentenmachine blijft natuurlijk doordraaien. Iedereen wordt vriendelijk aan het woord gelaten door de media's, de voor- en tegenstanders. Er wordt een meer of minder subtiel sausje over de argumenten gegoten waaruit de ideologie van de krant of zijn lezers mooi aan het daglicht komt. Op een natuurlijke manier naar voedsel zoeken bijvoorbeeld. Of de dierenbescherming bij monde van Camille Courbois, 'je weet nooit wat je aanwakkert'.

Het lijkt wel filosofie. Toch zit daar volgens mij niet de echte filosofische portee. Het gaat niet om het vinden van de juiste rechtvaardiging of veroordeling met de adequate argumenten. De filosofische portee van dit soort berichten zou wel eens kunnen zijn dat we niet willen weten waardoor we precies aangewakkerd worden. De argumenten hebben niet de functie ons denken over deze zaak te verhelderen, maar om de verheldering tegen te gaan.

Wat zou er uit de bus kunnen komen wanneer we de zaak zouden proberen te verhelderen? Zouden we wetenschappers worden die alle feiten geduldig op een rijtje zouden zetten? Daar komt over het algemeen weinig uit. Een beetje dit, een beetje dat. Ik verwacht er niet veel van, en je mist dan meteen het spektakel, dat zo wezenlijk is voor wat hier gebeurt.

Nee, het zou ons eerder oog in oog brengen met de existentie als zodanig. Wij en de beer, dat is waar ons leven op neerkomt. We hebben een beleid en alle beheersmiddelen. Maar dat zit ons niet lekker, want het geeft te weinig drama. En drama hebben we nodig om de vage wereld te verdichten tot een moment waarop alles in een keer helder is.

Liever doen we die maximale beheersmiddelen dus aan de kant. Ben je speerwerper, dan hanteer je de speer. Ben je columnist, dan breng je de beschaving in het spel. Maar liefst wel met de camera erbij omdat het verschil tussen barbarij en beschaving anders niet te spotten is.

Het is dus het spektakel dat ons verbindt met de jager. Bowmar heeft gewonnen als we zijn filmpje toch even hebben gekeken.


Afbeeldingsresultaat voor speer met camera

maandag 18 juli 2016

Een schitterende wake van Shonibare



Hoe kan het toch dat de vos zo vaak opduikt in fabels en verhalen over de jacht? Is het soms omdat hij zelf ook jager is? Misschien bejagen we de vos zo graag omdat we in plaats van een prooi een jager beschieten. Natuurlijk is de vos in de jacht een prooi, en het kan dus zijn dat we de zaak beduvelen door de vos te bejagen. Onder het mom van de bescherming van de kippen leven we onze moordlust uit.

Hoe dan ook, je komt bij het denken over de jacht zoals we hebben gezien al gauw in een schimmenspel terecht. Ik sprak van regressie toen ik vaststelde dat het kijken naar de jager zelf gaat lijken op een jacht. Die regressie is verwarrend, omdat het moeilijker wordt om jager en prooi te onderscheiden. Verwarring zagen we ook in het relaas van Zygmunt Bauman, die de jacht op koopjes en andere dingetjes uitlegt als escapisme, de vlucht voor de morele druk waaraan we permanent blootstaan. Ook is de jacht niet gericht op het pakken van de prooi, maar op het instandhouden van de jacht zelf.

Verwarring zien we ook wanneer we kijken naar bovenstaand beeld van de Engels-Nigeriaanse kunstenaar Yinka Shonibare, Revolution Kid (fox). Het staat in het museum Beelden aan zee in Scheveningen. Het is een mens met een vossenkop. Hij draagt verwarrende kleding, westerse snit maar met Afrikaans aandoend dessin. Hij draagt een pistool, maar dan wel een van goud, zodat ik meteen denk aan The Man with the Golden Gun, dus aan film. En in zijn andere hand heeft de vossenman een blackberry, zodat het lijkt of hij in tweede instantie toch liever communiceert dan schiet.

In de toelichting wordt me uitgelegd dat we moeten denken aan Khadaffi, die een gouden pistool had. Dus toch geen film! Lees zelf maar:


Khadaffi is jager en prooi. Met zijn Afrikaanse kleding symboliseerde hij de verwarring van culturen, op een vergelijkbare manier als de vos van Shonibare, denk ik erbij. Maar bij de Arabische Lente denk ik weer aan de opstandelingen, de mobiel was vooral hun symbool. Shonibare schuift dus twee symbolen ineen, dat van de rebellen en van de politiek leider tegen wie ze in opstand komen.

In de revolutie is de jager de prooi en de prooi de jager, zo mogen we nu voorzichtig concluderen. Er heerst verwarring alom. Misschien kunnen we ook denken aan de coup van Turkije, waarbij Erdogan prooi is maar de coup gebruikt om iedereen op te jagen die hem zou kunnen dwarszitten. Hij heeft weliswaar geen gouden pistool en Afrikaanse kleding, maar gedraagt zich wel als een dictator in niet-westerse stijl en krijgt net als Khadaffi de warmste sympathiebetuigingen uit het Westen.

Laat ik er nog een foto bij zetten:


Het is een Oud-Romeins beeld van een Romeinse generaal met - naar ik meen - een honden- of Anubiskop, in het Vaticaans museum. Egypte is door de Romeinen onderworpen, maar er waren soms innige banden van sympathie en liefde, gesymboliseerd door de verhouding van Caesar met Cleopatra, en later van Marcus Antonius. Het beeld past zeker ook bij de vergoddelijking van de keizer die na de dood van Caesar al begint en een voorgeschiedenis heeft in Alexander de Grote en Perzische koningen. De vergoddelijking van Alexander werd ook weer bezegeld in Egypte.

Zitten we hier nog in de beeldentaal van de jacht? Zeker wanneer je verhalen en gedichten over Marcus Antonius leest. Horatius schildert de vlucht van Cleopatra voor Octavianus bij de slag bij Actium (31 v. Chr.) als de vlucht van een prooi voor een roofdier. Daarmee krijg je toch enige sympathie voor de underdog, wat opmerkelijk is gezien de steun die Horatius moest betuigen aan zijn vriend Octavianus, beter bekend onder zijn titel en bijnaam Augustus.

Wikipedia leert me dat de kop van Anubis niet een hond is maar een jakhals. Dit dier staat bekend als aaseter, maar in de Egyptische godenverering overheerste de associatie met het graven, wat wijst op de bescherming van de doden. 'Voordat Osiris belangrijk werd was Anubis de belangrijkste begraaf-god.' De jacht heeft met andere woorden al plaatsgevonden, de prooi is gedood en moet worden beschermd tegen ongewenste aantasting. Het is dus eigenlijk best ironisch dat Egypte bekend staat als het land van de grafroof. In de Romeinse tijd werd Anubis vaker met harnas afgebeeld als de bewaker van Horus (de god met valkenkop, dus is er toch weer een of andere link met de jacht...).

Zeker ook ironisch is dat Khadaffi bekendstaat als een dode dictator die we naar believen kunnen inzetten, zoals hij ook al in zijn leven door de Westerse leiders naar believen kon worden ingezet, als vriend en vijand, en zoals dat tegenwoordig ook met Erdogan gaat.

Misschien moeten we de schoonheid van Shonibare's vossenbeeld interpreteren volgens de oude functie van Anubis, de bescherming van de doden. Posthuum krijgen Khadaffi en de opstandelingen zo niet een eerbetoon (dat verdienen ze zeker niet, gezien ook de huidige overname van de Lybische revolutie door IS), maar toch enige glans die de grafdelvers op afstand moet houden. Alsjeblieft niet teveel vijandschap en niet teveel liefde, zou je kunnen zeggen. Laat Anubis met de andere goden hun werk doen, het wegen van de zielen in de hal van de waarheid.

Die hal bevindt zich in het dodenrijk. De opdracht die we Erdogan en anderen geven om de zielen van bijvoorbeeld vluchtelingen nu al te wegen lijkt dus voortijdig. Shonibare verblindt ons even met zijn goud en dessins zodat we terugschrikken en misschien gaan overpeinzen waar we in godesnaam mee bezig zijn.

zondag 17 juli 2016

Sport is fascistisch

Vorig jaar heb ik op Geleg de Tour de France gevolgd. Ik kwam uit bij de essentie van de Tour, namelijk de jacht. Elke dag opnieuw wordt er een jacht in scène gezet. Die heeft een monumentaal en ritueel karakter. We worden gemaand te herdenken en na te denken. We denken terug aan de Franse koningen die met hun gevolg de buitengebieden betraden om daar de prooi te bejagen die ze zelf hadden uitgezet. In die buitengebieden ontsnappen in onze zomers elke dag een paar fietsers die achterna worden gezeten door de horde en meestal vlak voor de finish worden gepakt. En uiteindelijk wint Froome.

Sindsdien werd ik een paar keer opgeschrikt door schrijvers die de sport in een fascistische setting terugplaatsten. Agamben herinnerde me aan het voetbal in de Duitse concentratiekampen. Laurent Binet in HhhH herinnert aan de voetbalwedstrijden van de Duitsers en aan de sluiting van scholen en universiteiten in Tsjechië na de bezetting. Het docentenkorps moet worden vernietigd en de jeugd wordt heropgevoed in de sport. Binet maakt drie opmerkingen (p.217):
  1. In Tsjechië wordt net als elders de eer van het nationaal onderwijs door niemand zo slecht verdedigd als door de minister van Onderwijs. (...)
  2. De eer van het nationaal onderwijs wordt wel degelijk verdedigd door de docenten, die wat je verder ook over hen kan denken de naam hebben subversieve elementen te zijn, en verdienen dat men hun daarvoor hulde brengt.
  3. Sport is en blijft fascistische smeerlapperij.
 Ik moet daaraan steeds denken als ik de Tour kijk, toch een onschuldig tijdverdrijf. Nu had ik vorig jaar de filosoof Roland Barthes gevolgd in zijn ontmaskering van de Tour als burgerlijke façade. Burgerlijk is nog niet hetzelfde als fascistisch. Maar het is niet al te moeilijk om, ook als je de façade onderkent in het communistische oosten, het ideologische karakter van de sport te herkennen. Sport wordt altijd door de politiek gebruikt om ons te trainen in een bepaald soort taal, een taal die ons massaal enthousiast maakt voor iets waarvan we allemaal vinden dat het een bijzaak is, maar die opeens een hoofdzaak lijkt. De ideologie is bedoeld om ons volgzaam te maken, om ons te laten vergeten dat er in de wereld problemen moeten worden opgelost en dat we worden vermorzeld door een politiek-economisch systeem.

Vrijdag moest ik daaraan denken toen ik Tom Dumoulin voor en na zijn etappe-overwinning in de tijdrit een poging zag doen gedrag te tonen dat paste bij de ernst van de aanslag in Nice. Tom was ingetogen. Tom heeft mijn sympathie. Maar het gaat niet om Tom. Wanneer ik schaamte voel bij het kijken naar sport gaat het om mijn schaamte. Het gaat om mijn persoonlijke schaamte en mijn plaatsvervangende schaamte. Ik schaam me voor de sport.

Er is een tijd geweest dat ik weinig sport keek. Dat was in de jaren tachtig. Daarna was het, vooral na de goal van Van Basten in '88, en vogue om sport te kijken, ook en vooral als je kritisch intellectueel was. Je schaamde je voor de elitaire interesses. Opnieuw dus schaamte, het was vooral schaamte die me ertoe bracht om in de jaren negentig meer sport te kijken.

Nog steeds kijk ik sport, in deze lange sportzomer, met plezier, maar onderhuids is de schaamte nooit verdwenen.

Sport maakt me duidelijk dat ik deel uitmaak van het jachtgezelschap en dat het leven van de prooi me geen moer interesseert, welke prooi dan ook, waar dan ook. Het geeft me een ongemakkelijk gevoel van medeplichtigheid, en ik vermoed dat het dit gevoel onder meer is wat de permanente overmaat aan enthousiasme verklaart dat de sport wil oproepen. Het enthousiasme van de winnaar.

Let wel, ik zeg niet dat ik geen sport meer kijk, maar ik probeer door mijn overwinningsroes heen mijn andere gevoel te peilen en ook mijn politieke verstand te activeren. Het geval Rusland maakt het me gemakkelijk. Ik ben Rusland dankbaar, het Rusland met jager en judoca Poetin aan het hoofd.

 Afbeeldingsresultaat voor putin hunting