zondag 17 juli 2016

Sport is fascistisch

Vorig jaar heb ik op Geleg de Tour de France gevolgd. Ik kwam uit bij de essentie van de Tour, namelijk de jacht. Elke dag opnieuw wordt er een jacht in scène gezet. Die heeft een monumentaal en ritueel karakter. We worden gemaand te herdenken en na te denken. We denken terug aan de Franse koningen die met hun gevolg de buitengebieden betraden om daar de prooi te bejagen die ze zelf hadden uitgezet. In die buitengebieden ontsnappen in onze zomers elke dag een paar fietsers die achterna worden gezeten door de horde en meestal vlak voor de finish worden gepakt. En uiteindelijk wint Froome.

Sindsdien werd ik een paar keer opgeschrikt door schrijvers die de sport in een fascistische setting terugplaatsten. Agamben herinnerde me aan het voetbal in de Duitse concentratiekampen. Laurent Binet in HhhH herinnert aan de voetbalwedstrijden van de Duitsers en aan de sluiting van scholen en universiteiten in Tsjechië na de bezetting. Het docentenkorps moet worden vernietigd en de jeugd wordt heropgevoed in de sport. Binet maakt drie opmerkingen (p.217):
  1. In Tsjechië wordt net als elders de eer van het nationaal onderwijs door niemand zo slecht verdedigd als door de minister van Onderwijs. (...)
  2. De eer van het nationaal onderwijs wordt wel degelijk verdedigd door de docenten, die wat je verder ook over hen kan denken de naam hebben subversieve elementen te zijn, en verdienen dat men hun daarvoor hulde brengt.
  3. Sport is en blijft fascistische smeerlapperij.
 Ik moet daaraan steeds denken als ik de Tour kijk, toch een onschuldig tijdverdrijf. Nu had ik vorig jaar de filosoof Roland Barthes gevolgd in zijn ontmaskering van de Tour als burgerlijke façade. Burgerlijk is nog niet hetzelfde als fascistisch. Maar het is niet al te moeilijk om, ook als je de façade onderkent in het communistische oosten, het ideologische karakter van de sport te herkennen. Sport wordt altijd door de politiek gebruikt om ons te trainen in een bepaald soort taal, een taal die ons massaal enthousiast maakt voor iets waarvan we allemaal vinden dat het een bijzaak is, maar die opeens een hoofdzaak lijkt. De ideologie is bedoeld om ons volgzaam te maken, om ons te laten vergeten dat er in de wereld problemen moeten worden opgelost en dat we worden vermorzeld door een politiek-economisch systeem.

Vrijdag moest ik daaraan denken toen ik Tom Dumoulin voor en na zijn etappe-overwinning in de tijdrit een poging zag doen gedrag te tonen dat paste bij de ernst van de aanslag in Nice. Tom was ingetogen. Tom heeft mijn sympathie. Maar het gaat niet om Tom. Wanneer ik schaamte voel bij het kijken naar sport gaat het om mijn schaamte. Het gaat om mijn persoonlijke schaamte en mijn plaatsvervangende schaamte. Ik schaam me voor de sport.

Er is een tijd geweest dat ik weinig sport keek. Dat was in de jaren tachtig. Daarna was het, vooral na de goal van Van Basten in '88, en vogue om sport te kijken, ook en vooral als je kritisch intellectueel was. Je schaamde je voor de elitaire interesses. Opnieuw dus schaamte, het was vooral schaamte die me ertoe bracht om in de jaren negentig meer sport te kijken.

Nog steeds kijk ik sport, in deze lange sportzomer, met plezier, maar onderhuids is de schaamte nooit verdwenen.

Sport maakt me duidelijk dat ik deel uitmaak van het jachtgezelschap en dat het leven van de prooi me geen moer interesseert, welke prooi dan ook, waar dan ook. Het geeft me een ongemakkelijk gevoel van medeplichtigheid, en ik vermoed dat het dit gevoel onder meer is wat de permanente overmaat aan enthousiasme verklaart dat de sport wil oproepen. Het enthousiasme van de winnaar.

Let wel, ik zeg niet dat ik geen sport meer kijk, maar ik probeer door mijn overwinningsroes heen mijn andere gevoel te peilen en ook mijn politieke verstand te activeren. Het geval Rusland maakt het me gemakkelijk. Ik ben Rusland dankbaar, het Rusland met jager en judoca Poetin aan het hoofd.

 Afbeeldingsresultaat voor putin hunting





Geen opmerkingen:

Een reactie posten